José Ovejero

Biografie van de Ontdekker

 

La Cina per ipocondriaci front cover

Fragment

De Moeder, Elizabeth Parry

Moeder zijn is vuil werk. Zo vuil

als soldaten een gewisse dood insturen.

De dag van Johnny's geboorde was ik so beschaamd

dat ik hen die er stralend op stonden mij te feliciteren,

niet in de ogen durfde kijken. Zo beschaamd

dat ik ook Johnny niet in de ogen keek

toen hij zijn eerste blik op de wereld wierp. Ik meen,

maar zeker weet ik het nooit,

dat pasgeborenen blauwe ogen hebben.

 

Het zit zo, en ik zeg het zonder blozen:

ik had best en goede moeder kunnen zijn.

Daarvoor had het volstaan te bevallen op een eiland,

ver weg en warm, waar het fruit de bomen krom trekt

onder zijn gulle gewicht, waar Johnny verstoppertje

had kunnen spelen met kinderen die niets tekortkwamen. En zijn vader,

mijn man, zou een hut voor ons hebben gebouwd

met manshoge bladeren,

en met riet zo soepel als mijn taille,

en met verwachtingen niet door herinneringen bezoedeld.

Een hut dio ons 's avonds tegen zeldzame stormen beschermde.

 

Maar ik baarde het arme schepsel in een poel

van kolengruis en regen en miserie

van een gehucht in Wales. Ik wierp hem het leven in

maar kon hem geen vader geven, die hem trots

in zijn armen zou nemen. Meedogenloos smakte ik hem

tegen een kring van ooms, neven en grootouders aan,

en die keken vol argwaan naar dat gulzige mondje.

 

Moeder zijn is vuil werk dezer dagen.

Daarom wil ik het niet zijn. Nooit kreeg ik een zoontje

dat John Rowlands heette. En ook die anderen kreeg ik niet,

die de wereld doorkruisen en mij beschuldigen van weet ik veel wat voor misdaden.

Ik was amper achttien, toen ik Johnny niet kreeg.

Als iemand beweert dat ik zijn moeder ben

is dat omdat de wereld altijd een zondebok zoekt.

 

De Vader, John Rowlands sr.

 

De fles, leeg rolt

de fles, glas

rinkelt tegen steen,

en nog een, voor de dag

eindigt, voor de nacht

begint,

met zijn spoken

en de mijne, stemmen

hoor ik, ze lachen

mij uit, ik lach met hen,

en hef het glas, op mijn gezondheid,

mijn lever die mij doodt,

maar niet allein mijn lever,

ook de ogen van Elizabeth Parry.

 

De fles, vol

ijdele

beloftes, maar zo zoet,

beloftes, mijn woorden in haar

smachtend oor gegoten,

zij rilt, ik ril

en smacht weer naar een slok.

Eentje maar. Amper krijg ik

haar rok naar beneden.

Het lukt me en ik lach,

en stikkend van het lachen

ontkurk ik,

drink ik

het gewillige lichaam van Elizabeth Parry.

 

De fles valt

uit mijn hand, uit mijn machteloze

hand, en aan diggelen

het glas,

mijn leven, het leven,

het kleverige vocht

dat amper vloeit,

blijft stilstaan, traag draait

om haar as, de wereld

draait,

ook een herinnering,

haar ogen, doden me,

rukken mijn ziel uit,

de ogen vol tranen van Elizabeth Parry.

 

 

Ons de schuld te geven is niet eerlijk.

Schuld en zonde bestaan niet,

en zeker niet in Afrika.

De cobra die in een kinderenkel bijt,

zondigt niet, en ook de Masai niet

die zijn zieke vader achterlaat en

aan de wilde dieren overlevert.

Het leven is hard, voilà.

Daarom is het echt niet eerlijk te zeggen dat de leeuw

en de Nuba-krijger mooi zijn

of hun kracht te roemen als ze doden,

maar te walgen van de blanke

die zijn prooi verslaat.

God heeft ons allemaal als gelijken geschapen:

naar zijn beeld en gelijkenis.

 

Vertaling: Bart Vonck


>> Uitgegeven werken